Onderzoek
Dertig jaar Dutch Protocol-onderzoek levert nog altijd geen betrouwbaar bewijs op
23 september 2026
Een nieuwe analyse in het European Journal of Developmental Psychology concludeert dat drie decennia onderzoek naar het Dutch Protocol geen betrouwbare evidentie heeft opgeleverd voor puberteitsremmers en kruishormonen bij jongeren — en zet vraagtekens bij de onafhankelijkheid van het Amsterdamse review dat het tegendeel beweert.

Drie decennia onderzoek naar het Dutch Protocol hebben geen betrouwbaar bewijs opgeleverd voor het effect van puberteitsremmers en kruishormonen bij jongeren met genderdysforie. Dat is de harde conclusie van psychiater Kathleen McDeavitt (Baylor College of Medicine) en methodoloog J. Cohn (Society for Evidence-Based Gender Medicine) in een analyse die op 30 mei 2026 verscheen in het European Journal of Developmental Psychology, onder de titel "Three decades of 'Dutch Protocol' research has not produced reliable evidence". Het stuk is een directe repliek op een narratieve review van het Amsterdamse Center of Expertise on Gender Dysphoria (CEGD), dat eerder in 2026 juist stelde "veel meer vertrouwen" te hebben in de behandeling dan toen het protocol eind jaren negentig werd opgesteld.
Zeven gebreken in dertig jaar onderzoek
McDeavitt en Cohn wijzen niet op één zwakke studie, maar op een structureel patroon dat door de hele onderzoekslijn heen loopt. Ze noemen onder meer: te korte follow-up om effecten als botdichtheid, hart- en vaatziekten en vruchtbaarheid goed te beoordelen; het ontbreken van vergelijkingsgroepen; het gebruik van surrogaatmaten in plaats van klinisch betekenisvolle uitkomsten; forse uitval — in één studie bleef na zeven jaar nog maar 39 procent van de deelnemers over; onvoldoende correctie voor verstorende variabelen; en het simpele feit dat er nooit een gerandomiseerd onderzoek is uitgevoerd. Dat laatste punt is niet triviaal: zonder randomisatie blijft onduidelijk of verbeteringen die onderzoekers meten, komen door de behandeling zelf of door de zorgvuldige selectie van wie er wél voor in aanmerking komt.
Wie beoordeelt het eigen werk?
Het scherpste punt van de auteurs raakt niet de cijfers, maar de vraag wie ze interpreteert. De CEGD-review die "veel meer vertrouwen" claimde, is volgens McDeavitt en Cohn geschreven door dezelfde onderzoeksgroep die een groot deel van de onderliggende literatuur zelf heeft geproduceerd — een school die eerder op deze site al werd doorgelicht aan de hand van een veelgeciteerde VUmc-cohortstudie waarvan de mediane follow-up nog geen vijf jaar bleek te bedragen. Een narratieve review die vooral steunt op werk van de eigen kliniek is geen onafhankelijke toets van de bewijsbasis, zo betogen de auteurs, en het verschil tussen "vertrouwen bij de opstellers" en "vertrouwen bij onafhankelijke methodologen" is precies waar deze analyse de vinger op legt.
Aansluiting bij wat systematische reviews al lieten zien
De conclusie van McDeavitt en Cohn staat niet op zichzelf. Intensivist Armand Girbes betoogde eerder al dat in de Nederlandse transgenderzorg ideologie zwaarder weegt dan bewijs, en bio-ethicus Jilles Smids riep in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde op om hormonen pas na uitgebreide psychosociale zorg in te zetten. Op puberteitsremmers.nl is eerder een systematische review besproken die de zekerheid over vrijwel elk onderzocht effect van puberteitsremmers als "zeer laag" beoordeelde. McDeavitt en Cohn voegen daar een methodologische onderbouwing aan toe: niet één zwak onderzoek, maar dertig jaar cumulatief bewijs dat, hoe je het ook telt, nooit de kwaliteit heeft gehaald die nodig is om medische beslissingen met levenslange gevolgen op te baseren.
Wat dit wel en niet betekent
De analyse toont aan dat de bewijsbasis zwak is — niet dat de behandeling bewezen schadelijk is, en niet dat geen enkele jongere baat heeft bij puberteitsremmers of hormonen. McDeavitt en Cohn trekken zelf ook geen behandeladvies; hun claim is methodologisch: dertig jaar onderzoek volstaat niet om de mate van zekerheid te rechtvaardigen die klinieken en beleidsmakers er vaak aan ontlenen. Voor iedereen die op basis van "decennia ervaring" gerustgesteld wordt, is dat een onderscheid dat er in de praktijk sterk toe doet.
Bronnen
Kathleen McDeavitt & J. Cohn, "Three decades of 'Dutch Protocol' research has not produced reliable evidence", European Journal of Developmental Psychology (30 mei 2026). Online: tandfonline.com/doi/full/10.1080/17405629.2026.2680285. Samenvatting: Stats for Gender.

Nienke Vogelaar
Redactie
Veelgestelde vragen
Meer artikelen
Hoeveel jongeren krijgen bij het gendercentrum de diagnose genderdysforie? De cijfers van zestien jaar Amsterdam
Krijgt een kind op de genderpoli altijd de diagnose? Nee, maar wel in de grote meerderheid van de gevallen. Van 1072 jongeren die tussen 2000 en 2016 naar het Amsterdamse centrum werden verwezen, kreeg gemiddeld 84,6 procent de diagnose genderdysforie. Bij 5,3 procent werd die niet gesteld.
Amsterdamse onderzoekers: begrip hoeft niet vooraf te gaan aan gendertransitiezorg
Annelou de Vries en collega's van Amsterdam UMC herdefiniëren informed consent: begrip van de behandeling is volgens hen geen voorwaarde vooraf, maar een gevolg van de behandeling zelf.
Vanuit de huiskamer: hoe de vroege Nederlandse transgenderzorg zijn wetenschappelijke fundament miste
Een essay van Genspect-onderzoeker Mia Hughes zet vraagtekens bij de ontstaansgeschiedenis van het Dutch Protocol: een endocrinoloog die vanaf 1968 vanuit huis hormonen voorschreef en een commissiebesluit uit 1976 dat nooit is herzien.
UMCG-onderzoek TRAILS: gendertwijfel bij jongeren is meestal geen blijvende identiteit maar een fase
Een Nederlandse langetermijnstudie onder ruim 2.700 jongeren laat zien dat de wens om een ander geslacht te zijn op je elfde vaak voorkomt, maar op je vijfentwintigste bij bijna niemand meer bestaat. Wat betekent dat voor de aanname achter het Dutch Protocol dat vroege genderidentiteit stabiel is?