Onderzoek
Vanuit de huiskamer: hoe de vroege Nederlandse transgenderzorg zijn wetenschappelijke fundament miste
Een essay van Genspect-onderzoeker Mia Hughes zet vraagtekens bij de ontstaansgeschiedenis van het Dutch Protocol: een endocrinoloog die vanaf 1968 vanuit huis hormonen voorschreef en een commissiebesluit uit 1976 dat nooit is herzien.

Nederland geldt internationaal als bakermat van de moderne transgenderzorg: het “Dutch Protocol” werd wereldwijd de referentie voor de behandeling van genderdysforie bij jongeren. Een recent essay van Mia Hughes, directeur beleid en onderzoek bij Genspect, zet echter vraagtekens bij hoe gezaghebbend die vroege Nederlandse praktijk werkelijk was. Haar conclusie: de wortels van het protocol liggen minder in zorgvuldig opgebouwde klinische consensus dan het beeld dat er sindsdien over bestaat, en meer in individuele artsen die vooruitliepen op het wetenschappelijk bewijs.
Vanuit de huiskamer: endocrinoloog Otto de Vaal
Centraal in het essay staat endocrinoloog Otto de Vaal, die vanaf 1968 vanuit zijn eigen huis hormonen voorschreef aan volwassenen die zich identificeerden als transseksueel. Dat gebeurde buiten de psychiatrie om en buiten enig multidisciplinair team — een manier van werken die haaks staat op het zorgvuldige, gefaseerde traject dat het Dutch Protocol decennia later juist beroemd zou maken. Hughes betoogt dat deze informele, individuele aanpak aan de wieg stond van een praktijk die pas achteraf werd ingekleed als een doordacht medisch model.
Een commissiebesluit dat nooit meer ter discussie stond
In 1976 keurde de Medisch Ethische Commissie van het VU-ziekenhuis geslachtsveranderende chirurgie goed als behandeloptie. Volgens Hughes is dat besluit sindsdien “nooit aangevochten of herzien” — ook niet toen latere generaties onderzoekers, waaronder de Britse Cass Review, vraagtekens zetten bij de bewijskracht achter vergelijkbare ingrepen. Een beslissing die bedoeld was als zorgvuldige ethische toetsing, functioneerde zo decennialang als stilzwijgend fundament waar niemand meer op terugkwam.
Televisie als wervingskanaal
Het essay citeert ook Jos Megens, destijds coördinator van de Amsterdamse genderkliniek, die zich herinnert dat na elk tv-optreden over transseksualisme de telefoon niet stilstond met mensen die behandeling zochten. Die herinnering onderstreept een patroon waar critici al langer op wijzen: publieke zichtbaarheid van een diagnose en haar behandeling kan de vraag naar diezelfde behandeling direct aanjagen, los van de vraag of de onderliggende klachten daadwerkelijk toenamen of alleen vaker werden herkend en benoemd.
Wat de wetenschap al veel eerder zei
Hughes plaatst deze Nederlandse geschiedenis naast ouder internationaal onderzoek dat zelden wordt meegewogen in het gangbare verhaal. Al in 1965 waarschuwde psychiater Ira Pauly voor een iatrogeen effect: de behandeling zelf kan het ongemak waarvoor ze bedoeld is, versterken in plaats van verlichten. Historicus Joanne Meyerowitz documenteerde hoe medische classificaties van gender in de twintigste eeuw minstens zo veel door cultuur en tijdgeest werden gevormd als door biologisch onderzoek. En psychiater Paul McHugh van Johns Hopkins — de instelling die ooit als een van de eerste chirurgische genderprogramma's ter wereld opende — betoogde later juist voor de sluiting ervan, met het argument dat chirurgie een psychisch probleem niet oplost.
Waarom deze geschiedenis vandaag telt
Voor de huidige discussie over genderzorg in Nederland is deze geschiedenis meer dan een historische voetnoot. Beleidsmakers en clinici verwijzen nog altijd naar “het Nederlandse model” als bewijs van een beproefde, zorgvuldig onderbouwde aanpak. Hughes' essay laat zien dat de oorsprong van dat model minstens zo veel te danken heeft aan individuele artsen die op eigen gezag handelden en aan een commissiebesluit dat nooit meer werd getoetst, als aan de systematische wetenschappelijke onderbouwing die er achteraf aan werd toegeschreven.
Bronnen
Mia Hughes, “How the Dutch Normalized Medical Madness”, Genspect, 1 oktober 2026. genspect.org/how-the-dutch-normalized-medical-madness
Bron
Bram Kortekaas
Redactie
Veelgestelde vragen
Meer artikelen
Amsterdamse onderzoekers: begrip hoeft niet vooraf te gaan aan gendertransitiezorg
Annelou de Vries en collega's van Amsterdam UMC herdefiniëren informed consent: begrip van de behandeling is volgens hen geen voorwaarde vooraf, maar een gevolg van de behandeling zelf.
UMCG-onderzoek TRAILS: gendertwijfel bij jongeren is meestal geen blijvende identiteit maar een fase
Een Nederlandse langetermijnstudie onder ruim 2.700 jongeren laat zien dat de wens om een ander geslacht te zijn op je elfde vaak voorkomt, maar op je vijfentwintigste bij bijna niemand meer bestaat. Wat betekent dat voor de aanname achter het Dutch Protocol dat vroege genderidentiteit stabiel is?
Dertig jaar Dutch Protocol-onderzoek levert nog altijd geen betrouwbaar bewijs op
Een nieuwe analyse in het European Journal of Developmental Psychology concludeert dat drie decennia onderzoek naar het Dutch Protocol geen betrouwbare evidentie heeft opgeleverd voor puberteitsremmers en kruishormonen bij jongeren — en zet vraagtekens bij de onafhankelijkheid van het Amsterdamse review dat het tegendeel beweert.