Onderzoek
Hoeveel jongeren krijgen bij het gendercentrum de diagnose genderdysforie? De cijfers van zestien jaar Amsterdam
10 oktober 2026
Krijgt een kind op de genderpoli altijd de diagnose? Nee, maar wel in de grote meerderheid van de gevallen. Van 1072 jongeren die tussen 2000 en 2016 naar het Amsterdamse centrum werden verwezen, kreeg gemiddeld 84,6 procent de diagnose genderdysforie. Bij 5,3 procent werd die niet gesteld.

Hoeveel jongeren die bij een gendercentrum aankomen, krijgen de diagnose genderdysforie? Volgens Nederlands onderzoek onder 1072 jongeren gemiddeld 84,6 procent. Dat getal speelt een rol in het debat over de genderkritische websites: de maker zegt dat een kind op de genderpoli ‘altijd’ de diagnose krijgt, artsen zeggen dat er maanden van gesprekken aan voorafgaan. De cijfers laten zien dat beide uitspraken iets weglaten.
Wat er beweerd wordt
In het artikel van Pointer van 8 juli 2026 zegt de maker van de websites dat het schadelijk is ‘dat een kind op de genderpoli altijd te horen krijgt dat het genderdysforie heeft’. Endocrinoloog Christa van Bunderen van het Radboudumc reageert: ‘Dat je bij een genderkliniek binnen no-time een diagnose en een operatie kan krijgen, klopt niet. Er gaan maanden aan gesprekken aan vooraf voordat iemand überhaupt mag starten met medicatie.’
De ene uitspraak gaat over de uitkomst, de andere over de duur. Over de uitkomst bestaan cijfers.
Het onderzoek
Arnoldussen en collega’s van het Amsterdamse kenniscentrum genderdysforie onderzochten alle 1072 jongeren die tussen 2000 en 2016 achtereenvolgens naar het centrum werden verwezen: 404 geboren jongens en 668 geboren meisjes. De studie verscheen in 2020 in European Child and Adolescent Psychiatry onder de titel Re-evaluation of the Dutch approach. De vraag was of jongeren die recent werden verwezen, verschillen van jongeren uit de beginjaren van het Dutch Protocol.
De uitkomsten
- Diagnose genderdysforie: gemiddeld 84,6 procent per jaar, met een spreiding van 75 tot 97,4 procent. Over de hele groep gaat het om 908 van de 1072 jongeren.
- Geen diagnose: 57 jongeren, 5,3 procent.
- Onbekend: bij 107 jongeren, 10 procent, eindigde het diagnostische traject voortijdig.
- Behandeling: van de jongeren met de diagnose begon gemiddeld 77,7 procent aan puberteitsremmers of genderbevestigende hormonen, met een spreiding van 53,8 tot 94,9 procent.
Beide percentages bleven volgens de auteurs over de zestien jaar gelijk, terwijl het aantal aanmeldingen sterk steeg. Wat wel veranderde, was de verhouding tussen jongens en meisjes: in 2016 was die 1 op 2,93, bijna drie geboren meisjes op elke geboren jongen.
Wat dit betekent voor ‘altijd’
Het woord altijd klopt niet. Bij ruim vijf procent werd de diagnose niet gesteld, en bij tien procent kwam het niet tot een uitkomst. Wie de twee gemiddelden naast elkaar legt, komt er ruwweg op uit dat twee op de drie verwezen jongeren aan een medische behandeling begonnen. Die schatting is van ons en niet van de auteurs; zij is bedoeld als orde van grootte.
De kern van de zorg van ouders blijft daarmee overeind, in een bescheidener vorm: wie eenmaal is verwezen, krijgt in ruim vier van de vijf gevallen de diagnose, en de meesten daarvan een behandeling. De verwijzing is dus geen vrijblijvende eerste stap. Hoe die verwijzing via de huisarts tot stand komt, staat op Gendermolen.nl.
Hoe de onderzoekers het zelf lezen
De auteurs trekken een andere conclusie. Zij zien in de stabiele percentages een geruststelling: de jongeren die nu komen, verschillen niet wezenlijk van de jongeren van vroeger, en de stijging van het aantal aanmeldingen wijst er volgens hen op dat gevoelens van genderdysforie vaker voorkomen dan eerder werd gedacht. Een hoog percentage diagnoses kan in die lezing betekenen dat de verwijzingen doorgaans terecht zijn.
Het cijfer zelf beslist niet tussen de twee lezingen. Het zegt hoe vaak de diagnose wordt gesteld, niet of zij terecht wordt gesteld. Daarvoor is onderzoek nodig naar hoe het de jongeren later vergaat, en juist dat noemt de Gezondheidsraad onvoldoende onderzocht.
Beperkingen
De auteurs noemen zelf dat de conclusies alleen gelden voor jongeren die naar een gespecialiseerd centrum zijn verwezen en niet voor jongeren in het algemeen, dat gegevens over bijvoorbeeld non-binaire identiteiten ontbreken en dat zij over de oorzaken van de trends alleen kunnen speculeren. Daar komt bij dat de gegevens lopen tot 2016 en uit één centrum komen. Voor de jongeren die zich na 2016 hebben aangemeld, en voor de andere Nederlandse centra, zegt deze studie niets. Meer over het cohort staat in Twintig jaar VUmc-cohort: wat het onderzoek niet laat zien.
Conclusie
De bewering dat een kind op de genderpoli altijd de diagnose krijgt, is te stellig. Wat de cijfers wel laten zien: gemiddeld 84,6 procent van de verwezen jongeren kreeg de diagnose en gemiddeld 77,7 procent daarvan een medische behandeling, zestien jaar lang. Dat er maanden van gesprekken aan voorafgaan, verandert die uitkomst niet.
Bronnen
Arnoldussen M, Steensma TD, Popma A, Van der Miesen AIR, Twisk JWR, De Vries ALC, Re-evaluation of the Dutch approach: are recently referred transgender youth different compared to earlier referrals?, European Child and Adolescent Psychiatry 2020;29:803–811, pmc.ncbi.nlm.nih.gov
Pointer (KRO-NCRV), Ruim 30 Nederlandse websites online met desinformatie over trans mensen, 8 juli 2026, pointer.kro-ncrv.nl
Gezondheidsraad, Transgenderzorg voor jongeren, publicatienr. 2026/12, 30 juni 2026, samenvatting, gezondheidsraad.nl
Beeld: lege ziekenhuisgang met banken en deuren. Foto: Tasha Kostyuk via Unsplash.
Veelgestelde vragen
Meer artikelen
Amsterdamse onderzoekers: begrip hoeft niet vooraf te gaan aan gendertransitiezorg
Annelou de Vries en collega's van Amsterdam UMC herdefiniëren informed consent: begrip van de behandeling is volgens hen geen voorwaarde vooraf, maar een gevolg van de behandeling zelf.
Vanuit de huiskamer: hoe de vroege Nederlandse transgenderzorg zijn wetenschappelijke fundament miste
Een essay van Genspect-onderzoeker Mia Hughes zet vraagtekens bij de ontstaansgeschiedenis van het Dutch Protocol: een endocrinoloog die vanaf 1968 vanuit huis hormonen voorschreef en een commissiebesluit uit 1976 dat nooit is herzien.
UMCG-onderzoek TRAILS: gendertwijfel bij jongeren is meestal geen blijvende identiteit maar een fase
Een Nederlandse langetermijnstudie onder ruim 2.700 jongeren laat zien dat de wens om een ander geslacht te zijn op je elfde vaak voorkomt, maar op je vijfentwintigste bij bijna niemand meer bestaat. Wat betekent dat voor de aanname achter het Dutch Protocol dat vroege genderidentiteit stabiel is?