Onderzoek

Lewis e.a. 2025 — mentale uitkomsten ná chirurgie en de kernaanname van het protocol

Het Dutch Protocol rust op één empirische aanname: dat medische transitie het psychisch functioneren verbetert. Een dossierstudie onder ruim 107.000 mensen met genderdysforie vindt na chirurgie het omgekeerde patroon.

Mentale gezondheid na genderchirurgie

De studie

Lewis e.a. publiceerden in 2025 in The Journal of Sexual Medicine (22(4), 645–651) de studie Examining Gender-Specific Mental Health Risks After Gender-Affirming Surgery: A National Database Study. Uit een nationale dossierdatabase werden ruim 107.000 mensen geselecteerd die tussen 2014 en 2024 een diagnose genderdysforie kregen. Via propensity score matching werden geopereerde en niet-geopereerde patiënten vergelijkbaar gemaakt.

Bij de als man geregistreerde groep: depressie 25,4% na chirurgie tegenover 11,5% zonder; angst 12,8% tegenover 2,6%.

Bij de als vrouw geregistreerde groep: depressie 22,9% tegenover 14,6%; angst 10,5% tegenover 7,1%; suïcidale gedachten 19,8% tegenover 8,4%; middelenstoornissen 19,3% tegenover 7,1%.

Waarom dit het protocol raakt

Het Amsterdamse behandelschema is nooit gebaseerd geweest op bewijs dat medische transitie de psychische uitkomsten op lange termijn verbetert. Het is gebaseerd op de verwachting dat dit zo is, onderbouwd met kleine cohortstudies met korte follow-up: de Vries e.a. (2011, 2014) volgden tientallen jongeren, niet duizenden, en de uitval bleef grotendeels buiten beeld. Zie de Vries et al. 2014, Sample size en uitval en Methodologische kritiek.

Een dossierstudie van deze omvang vervangt die cohorten niet — maar zij verschuift wel waar het bewijs ligt. Waar de kleine Nederlandse studies verbetering suggereerden, laat de grootschalige registratie het tegenovergestelde patroon zien.

Wat de studie niet aantoont

Het gaat om observationeel onderzoek zonder randomisatie. Indicatiebias is een reële verklaring: wie tot chirurgie overgaat kan vooraf al zwaarder belast zijn geweest. Maar die tegenwerping bevestigt de kern van de protocolkritiek — na ruim twee decennia is er nog altijd geen prospectieve, gecontroleerde follow-up die de vraag beantwoordt. De bewijslast ligt bij de interventie, niet bij wie ernaar vraagt. Zie Evidence base zwak en Follow-up en nazorg.

Aansluiting bij de internationale bevindingen

De uitkomst staat niet op zichzelf. Bränström en Pachankis (2020) vonden meer psychiatrische behandeling onder transgender personen in genderbevestigende zorg; de Finse registerstudie van Ruuska e.a. (2024) onderzocht de sterfte onder adolescenten die zich tussen 1996 en 2019 bij de genderzorg meldden. De Britse GIDS-kliniek hield geen systematische langetermijnregistratie bij — zichtbaar geworden in de zaak-Bell en in de Cass Review 2024.

En wie het onderzoekt

Lisa Littman, Kenneth Zucker en Michael Biggs kregen na kritische publicaties professionele tegenwind; in 2026 werd een overzichtsartikel van Jason Watson over de suïcide-evidentie na activistisch protest ingetrokken. Een veld dat zijn eigen uitkomsten niet registreert en kritische analyses terugtrekt, houdt zijn kernaanname overeind zonder haar te toetsen.

De cijfermatige uitwerking staat op Transitieschade.nl; de ethische analyse op Transethiek.nl.

Bron

Nederlandse bewerking van: Rachel Hannam, Beyond Gender-Affirming Rhetoric: Scrutinising Population-Level Data, PITT (Parents with Inconvenient Truths about Trans), 18 augustus 2026.

Primaire studie: Lewis e.a. (2025), Examining Gender-Specific Mental Health Risks After Gender-Affirming Surgery: A National Database Study, The Journal of Sexual Medicine, 22(4), 645–651.