Aansprakelijkheid · Informed consent · 2026-05-24

Informed consent als sterkste spoor

In de praktijk is het informed consent-spoor verreweg de sterkste juridische route. Niet omdat de behandeling per definitie onrechtmatig zou zijn, maar omdat de patiënt achteraf kan stellen dat hij of zij — bij volledige informatie — anders had gekozen. Dat heet het informed consent counterfactual.

De Wgbo (art. 7:448 BW) verplicht tot eerlijke informatie over aard en doel van de behandeling, te verwachten gevolgen en risico's, alternatieven en gezondheidstoestand. Hieronder vijf elementen waarop die plicht in de praktijk vaak tekortschiet — met bronnen.

1. Onzekerheid over effectiviteit

Wanneer internationale reviews de bewijskwaliteit als very low beoordelen, is dat een wezenlijk feit. NICE (2020)1, SBU (2022)2 en de Cass Review (2024)3 komen alle tot deze kwalificatie. Een arts die de behandeling presenteert als veilig en effectief, terwijl in de internationale literatuur structurele twijfel bestaat, schendt de informatieplicht. Het kan niet zo zijn dat de Nederlandse arts deze discussie níet kent — of, als hij die wel kent, deze achterhoudt voor de patiënt.

2. Onomkeerbaarheid — de pauzeknop-mythe

Puberteitsremmers worden vaak gepresenteerd als pauzeknop. De praktijk laat iets anders zien. In het Nederlandse cohort van Brik et al. (2020) ging 98% van de adolescenten die puberteitsremmers kregen door naar cross-sex hormonen.4 Vergelijkbare cijfers — boven de 95% — komen uit het Tavistock-cohort (Carmichael et al. 2021)5 en latere reviews. Statistisch is dit geen pauze maar een instaproute. Een arts die de behandeling als reversibel presenteert, schetst een onjuist beeld.

Daarbij komen specifiekere onomkeerbare effecten: structurele effecten op botdichtheid6, mogelijk op hersenontwikkeling, en — in combinatie met cross-sex hormonen — permanente steriliteit. Chirurgische ingrepen zijn vanzelfsprekend definitief.

3. Vruchtbaarheidsverlies

Wanneer hormoonbehandeling start in de vroege puberteit (Tanner-stadium 2), is gametencryopreservatie vaak fysiologisch onmogelijk omdat er nog geen rijpe gameten zijn. De jongere wordt daarmee voor een levenslange beslissing geplaatst op een leeftijd waarop de ontwikkelingspsychologie hem of haar niet in staat acht de implicaties — kinderloosheid op 30-jarige, op 40-jarige leeftijd — werkelijk te overzien.

Een arts die deze beslissing faciliteert zonder zich rekenschap te geven van het feit dat een 13-jarige de impact van permanente onvruchtbaarheid niet kán overzien, staat juridisch zwak. Het verweer dat ouders ook tekenden vangt dit niet op: het kind is de patiënt, en het kind draagt de gevolgen levenslang.

4. Het bestaan van alternatieven

De Wgbo verplicht tot informatie over alternatieve behandelmogelijkheden, inclusief afwachtend beleid. Klassieke prospectieve studies (Wallien & Cohen-Kettenis 2008; Drummond et al. 2008; Steensma et al. 2013) en latere reviews vinden dat een aanzienlijk deel van prepuberale kinderen met genderdysforie deze gevoelens kwijtraakt zonder medische interventie — desistance.7 Genoemde cijfers liggen, afhankelijk van studie en cohort, doorgaans tussen 60 en 90 procent. Wanneer dit feit niet wordt besproken, of wanneer affirmatieve behandeling als enige optie wordt gepresenteerd, is de informatieplicht geschonden.

5. Comorbiditeit en differentiaaldiagnose

Bij jongeren die zich aanmelden voor genderzorg is comorbiditeit eerder regel dan uitzondering: autisme spectrum, depressie, angststoornissen, trauma, eetstoornissen.8 Wanneer deze niet eerst grondig zijn gediagnosticeerd en behandeld, is onduidelijk of de genderdysforie het primaire probleem is of een secundair symptoom. Een arts die deze zorgvuldigheid niet betracht, schendt de tweede tuchtnorm.

Causaliteit en schade: wat moet worden bewezen?

Voor een succesvolle civiele claim moet een keten worden gemaakt: tekortkoming, hypothetische andere beslissing (counterfactual), schade. Voor tuchtrecht volstaat in beginsel de tekortkoming.

  • De tekortkoming: ontbrekende of misleidende informatie, gebrekkige diagnostiek, het niet bespreken van alternatieven, het negeren van comorbiditeit, het volgen van een achterhaalde richtlijn zonder kritische toetsing.
  • Het counterfactual: zou de patiënt — of bij een minderjarige: de ouders, of het inmiddels volwassen geworden kind dat terugkijkt — bij volledige informatie anders hebben gekozen?
  • De schade: fysiek (osteoporose, infertiliteit, seksueel disfunctioneren, chirurgische complicaties, levenslange medicatie-afhankelijkheid), psychisch (spijt, depressie, identiteitscrisis), sociaal (relaties, kinderwens, arbeidsongeschiktheid).

Voetnoten

  1. NICE. Evidence review: Gonadotrophin releasing hormone analogues for children and adolescents with gender dysphoria. Maart 2020.
  2. SBU/Socialstyrelsen. Care of children and adolescents with gender dysphoria — National guidelines. 2022.
  3. Cass H. The Cass Review — Final Report. NHS England, april 2024.
  4. Brik T, Vrouenraets LJJJ, de Vries MC, Hannema SE. Trajectories of adolescents treated with gonadotropin-releasing hormone analogues for gender dysphoria. Archives of Sexual Behavior. 2020;49(7):2611–2618.
  5. Carmichael P, Butler G, Masic U, et al. Short-term outcomes of pubertal suppression in a selected cohort of 12 to 15 year old young people with persistent gender dysphoria in the UK. PLOS ONE. 2021;16(2):e0243894.
  6. Schagen SEE, Wouters FM, Cohen-Kettenis PT, Gooren LJ, Hannema SE. Bone development in transgender adolescents treated with GnRH analogues and subsequent gender-affirming hormones. J Clin Endocrinol Metab. 2020;105(12):e4252–e4263.
  7. Steensma TD, McGuire JK, Kreukels BPC, Beekman AJ, Cohen-Kettenis PT. Factors associated with desistence and persistence of childhood gender dysphoria: a quantitative follow-up study. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry. 2013;52(6):582–590; voor review zie Ristori J, Steensma TD. Gender dysphoria in childhood. Int Rev Psychiatry. 2016;28(1):13–20.
  8. de Vries ALC, Noens ILJ, Cohen-Kettenis PT, van Berckelaer-Onnes IA, Doreleijers TA. Autism spectrum disorders in gender dysphoric children and adolescents. J Autism Dev Disord. 2010;40(8):930–6; Kaltiala-Heino R, Sumia M, Työläjärvi M, Lindberg N. Two years of gender identity service for minors. Child Adolesc Psychiatry Ment Health. 2015;9:9.