Aansprakelijkheid · Drie sporen · 2026-05-24
Drie juridische sporen
In Nederland kan een arts via drie sporen ter verantwoording worden geroepen. Ze staan los van elkaar en kunnen tegelijkertijd worden bewandeld.
1. Civielrechtelijk — de Wgbo en het goed hulpverlenerschap
De Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo, art. 7:446 e.v. BW) is het hart van het Nederlandse medisch civielrecht. De arts moet handelen als goed hulpverlener (art. 7:453 BW). De maatstaf is constant: wat zou een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden doen?1
Schendt de arts die norm en ontstaat daardoor schade, dan kan via art. 6:74 BW schadevergoeding worden gevorderd, in de regel via het ziekenhuis dat op grond van art. 7:462 BW centraal aansprakelijk is. De individuele arts wordt zelden gedagvaard — de claim loopt langs de instelling en haar aansprakelijkheidsverzekeraar (MediRisk of Centramed).
Naast de zorgvuldigheidsnorm staat een informatieplicht (art. 7:448 BW). De arts moet de patiënt op begrijpelijke wijze informeren over aard en doel van de behandeling, te verwachten gevolgen en risico's, alternatieven en gezondheidstoestand. Pas dán kan rechtsgeldige toestemming worden gegeven (art. 7:450 BW). Onvolledige informatie maakt de toestemming aanvechtbaar — en in extreme gevallen kan de ingreep zelfs als mishandeling worden gekwalificeerd. Zie informed consent als sterkste spoor.
2. Tuchtrechtelijk — de Wet BIG
Iedere BIG-geregistreerde zorgverlener is onderworpen aan tuchtrecht. Een klacht kan worden ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. De toetsingsnormen zijn breed:2
- Eerste tuchtnorm — handelen of nalaten in strijd met de zorg die de beroepsbeoefenaar behoort te betrachten ten opzichte van de patiënt.
- Tweede tuchtnorm — handelen in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg.
De sancties lopen van waarschuwing, berisping, geldboete en schorsing tot doorhaling uit het BIG-register. Een tuchtklacht is voor de klager kosteloos en procesvertegenwoordiging is niet verplicht, hoewel in complexe zaken aan te raden.
Tuchtrecht is laagdrempeliger dan civiel recht: geen schadevergoeding, maar wel een gezaghebbende publieke uitspraak over normschending. Voor een latere civiele procedure is een tuchtuitspraak vaak doorslaggevend bewijs. De tuchttermijn is sinds 2019 tien jaar na de gebeurtenis, met een uitzondering wanneer het belang van de volksgezondheid een latere behandeling vergt.3
3. Strafrechtelijk — het uitzonderlijke spoor
Bij grove nalatigheid of opzet kan het strafrecht in beeld komen: mishandeling (art. 300 Sr), zware mishandeling (art. 302 Sr), of dood respectievelijk zwaar lichamelijk letsel door schuld (art. 307/308 Sr). Dit spoor is zeldzaam in medische context — maar niet uitgesloten.
Onomkeerbare lichamelijke ingrepen bij minderjarigen zonder deugdelijke wetenschappelijke onderbouwing kunnen, bij een toekomstige beleids- of cultuuromslag, in dit licht worden herbezien. Het Openbaar Ministerie beslist over vervolging na aangifte.
Het bijzondere probleem van de minderjarige patiënt
De Wgbo kent een gelaagd systeem van wilsbekwaamheid en toestemming (art. 7:450 BW): tot 12 jaar beslissen de ouders, van 12 tot 16 ouders én kind, vanaf 16 het kind zelf. Dit systeem werkt redelijk voor reguliere medische beslissingen. Het knelt waar het gaat om beslissingen met levenslange, onomkeerbare gevolgen.
De wet eist dat de minderjarige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. Bij ingrepen die vruchtbaarheid, seksueel functioneren, hersenontwikkeling en het eigen lichaam tot in lengte van jaren beïnvloeden, is die redelijke waardering bij een 12-, 13- of 14-jarige hoogst twijfelachtig. Het Britse High Court oordeelde in Bell v Tavistock dat dit in de praktijk vrijwel onmogelijk is.4 Hoewel die uitspraak in hoger beroep op procedurele gronden werd teruggedraaid, blijft de inhoudelijke ontwikkelingspsychologische argumentatie onweersproken. Daarbij komt het VN-Kinderrechtenverdrag: artikel 3 maakt het belang van het kind een primaire overweging, artikel 24 garandeert het recht op de hoogst haalbare gezondheid.
Verjaring — een lange schaduw
De verjaringstermijn voor civiele claims is vijf jaar na bekend worden van de schade, met een absolute grens van twintig jaar na de gebeurtenis (art. 3:310 BW). Voor minderjarigen geldt dat de termijn niet loopt zolang de patiënt minderjarig is (art. 3:321 lid 1 sub b BW). Een 13-jarige die in 2026 puberteitsremmers krijgt, kan tot 2046 nog civiel procederen — als de bekendheid met de schade pas later komt.
Volgende in dit dossier
- Informed consent als sterkste spoor — vijf elementen van de informatieplicht.
- Verweren en wat een arts vandaag te doen staat.
- ← terug naar overzicht.
Voetnoten
- Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst, opgenomen in titel 7 boek 7 BW; art. 7:453 BW codificeert de norm van het goed hulpverlenerschap.
- Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), art. 47 — de twee tuchtnormen.
- Wijziging Wet BIG 2019: invoering tienjaarstermijn voor tuchtklachten (eerder onbeperkt).
- Bell v Tavistock [2020] EWHC 3274 (Admin); in 2021 teruggedraaid in [2021] EWCA Civ 1363 op procedurele gronden, niet op inhoudelijke ontwikkelingspsychologische argumentatie.