Statistieken Amsterdam: aanmeldingen verdubbelden in vier jaar
Het Amsterdams UMC publiceerde eindelijk nieuwe cijfers over aanmeldingen bij het Kennis- en Zorgcentrum voor Genderdysforie. Peter Vasterman analyseert de data en treft een verdubbeling van het totaal in vier jaar, een 65 procent stijging bij kinderen in een jaar, en een dataset die zo gepresenteerd is dat analyse onmogelijk wordt.
Eindelijk nieuwe cijfers — uit een vreemd jaarverslag
Na jaren van verzoeken publiceerde het Kennis- en Zorgcentrum voor Genderdysforie (KZcG) van het Amsterdams UMC in 2023 het rapport "Samenwerken aan betere genderzorg dichter bij huis. Jaarbeeld 2019-2022". Voor mediasocioloog Peter Vasterman is het de eerste keer dat er sinds de academische publicaties van Steensma en De Vries (data tot 2018) officiele cijfers verschijnen over de evolutie van aanmeldingen bij Europa's grootste genderkliniek. De uitkomst — verstopt achter een opmaakkeuze die analyse bemoeilijkt — laat een trend zien die in elk ander medisch dossier alarmsignalen zou afgeven.
Kinderen en adolescenten: 2000-2022
De aanmeldingen voor kinderen en adolescenten ontwikkelden zich als volgt. Tussen 2000 en 2012 bleef het aantal "redelijk constant" — enkele tientallen per jaar. Vanaf 2013 nam het aantal "snel toe", schrijft Vasterman: van een vlakke basislijn naar 515 aanmeldingen in 2018. In 2019 daalde het naar 366, in 2020 naar 362 en in 2021 naar 394 — een daling die het AUMC toeschrijft aan de opening van nieuwe genderpoli's in Groningen en Nijmegen. Daarna komt de klap: in 2022 zijn er 606 aanmeldingen van kinderen en adolescenten. Dat is een stijging van 54 procent ten opzichte van 2021 en bijna 18 procent boven de oude piek van 2018 — en dat terwijl de twee andere klinieken de last juist hadden moeten verlichten.
Volwassenen: een verdrievoudiging
Bij volwassenen zijn de cijfers nog harder. In 2018 lagen de volwassen-aanmeldingen op 535. In 2022 staat de teller op 1664. Dat is een drievoudige groei in vier jaar tijd. Vasterman: de volwassen-aanmeldingen volgen niet alleen dezelfde curve als de kindergegevens, ze gaan er kwantitatief zelfs voorbij. Het beeld dat in publieke debatten geschetst wordt — namelijk dat de groei alleen onder kinderen ligt — klopt niet. De volwassen-explosie wordt zelden gerapporteerd omdat ze geen geschikte mediavorm heeft, maar in absolute cijfers is ze groter dan de kinder-explosie.
Totaal: van 1050 naar 2271 in vier jaar
Optellen levert het kerncijfer. In 2018 ontving het KZcG totaal 1050 aanmeldingen. In 2022 zijn dat er 2271. Een meer dan verdubbeling in vier jaar tijd, ondanks dat in dezelfde periode twee andere academische genderklinieken in Nederland werden geopend om de last te verdelen. Wie de aanmeldingen in Groningen en Nijmegen meetelt, komt op een nog hoger totaal. Vasterman zet dit cijfer naast de Nederlandse demografie: het aantal jongeren onder de 25 daalde in dezelfde periode. Wat hier groeit, kan dus per definitie geen aangeboren conditie zijn met een vaste populatieprevalentie. Wat hier groeit, is zelfidentificatie als pad naar medische behandeling.
Data-presentatie die analyse blokkeert
De kritiek van Vasterman gaat ook over de vorm. Het AUMC-jaarverslag presenteert de cijfers per maand in plaats van per jaar, in onleesbare staafgrafieken, zonder de jaartotalen die je voor trendanalyse nodig hebt. Vasterman heeft de cijfers handmatig moeten optellen om zijn analyse mogelijk te maken. "Het is merkwaardig dat de aantallen aanmeldingen niet zijn uitgesplitst naar kinderen en adolescenten en ook niet naar man of vrouw," schrijft hij. Dat is geen redactionele slordigheid maar een patroon. De internationaal meest urgente vragen — wat is de geslachtsverhouding, hoe oud zijn de aanmelders, welke comorbiditeiten — zijn precies de cijfers die niet expliciet uit de data te halen zijn.
Wat het verslag niet laat zien
Vasterman somt op wat het Jaarbeeld 2019-2022 niet bevat. Geen uitsplitsing naar bij geboorte toegewezen geslacht. Geen rapportage over welk percentage van de aanmelders uiteindelijk in behandeling komt en welk percentage afhaakt. Geen detransities. Geen comorbiditeiten — autisme, eetstoornissen, depressie, sociale isolatie. Geen lange-termijn-uitkomsten van de cohorten uit de jaren 2010-2015 die inmiddels in volwassenheid zijn. Geen audit van welke leeftijd aanmelders de fysieke transitie ondergingen en welke leeftijd ze waren toen ze hun eerste afspraak hadden. Voor een academische kliniek met dertig jaar protocol en 800.000 euro overheidsgeld voor effectiviteitsonderzoek is dat een opvallende leemte. Voor een politiek beladen onderwerp is het een veelzeggende keuze.
Wat de cijfers wel laten zien
Wat zwart op wit staat: de Nederlandse aanmeldingen voor genderzorg zijn in vier jaar verdubbeld terwijl de jongerendemografie krimpt. Dat is een groeicurve die in elk ander dossier — eetstoornissen, ADHD, autisme — sociologisch wordt geanalyseerd. In de genderzorg blijft dezelfde curve onbenoemd. Vasterman publiceert deze cijfers omdat het AUMC dat zelf niet doet, en omdat de Nederlandse pers er sinds 2018 niet over heeft geschreven. De getallen vertellen een verhaal dat het Dutch Protocol niet kan dragen: een populatie die kwantitatief en kwalitatief niets meer te maken heeft met de populatie waarvoor het protocol in 1995 werd geschreven.
Wat hierna nodig is
De analyse eindigt impliciet bij een eis. Het AUMC moet de aanmeldingen jaarlijks publiceren, uitgesplitst naar bij geboorte toegewezen geslacht, leeftijdscategorie, en met data over comorbiditeit en uitval. Een toezichthouder — Gezondheidsraad, IGJ — moet onafhankelijk meten welk percentage van de aanmelders binnen vijf jaar nog steeds zo over zichzelf denkt en welk percentage detransitioneert. Zonder die transparantie blijft Nederland het Dutch Protocol uitvoeren op een populatie waarvoor het nooit gevalideerd is. Vasterman levert in dit deel 2 de cijfers waarmee dat gesprek gevoerd zou moeten worden.