Is de nieuwe groep kinderen met genderdysforie inderdaad anders?
Peter Vasterman legt twee uitspraken van Thomas Steensma naast elkaar — en plaatst er een Pediatrics-publicatie van Annelou de Vries bij. De conclusie: het ontkennen van een nieuwe groep botst met eigen onderzoek.
Twee Steensmas in twee maanden
In maart 2021 gaf hoofdonderzoeker Thomas Steensma van het Amsterdamse genderbehandelteam een interview aan het AD waarin hij erkende dat de nieuwe groep aanmelders anders is dan voorheen. Twee maanden later vertelde hij in NRC dat de nieuwe meisjes "niet anders zijn" dan eerdere groepen. Vasterman zet beide uitspraken naast elkaar en stelt de open vraag: welke versie geldt? De NRC-versie kreeg podium en werd door activisten omarmd als bewijs dat er geen nieuw fenomeen is. De AD-versie verdween onder de radar.
Een cohort-studie die de groei niet meet
De cohort-studie waarop Steensma in NRC steunt loopt over de periode 2000–2016. Dat is precies het probleem. Vasterman wijst erop dat de explosieve toename van aanmeldingen vooral ná 2016 plaatsvond. Wat de studie als "geen verschil" rapporteert, betreft dus de groep die voor 2016 binnenkwam — niet het cohort dat het beeld nu domineert. Een studie die het meest relevante deel van de populatie niet bevat, kan logischerwijs niet uitspreken dat die populatie hetzelfde is als de oude.
De Vries in Pediatrics bevestigt de kanteling
Collega-onderzoeker Annelou de Vries publiceerde in Pediatrics dat de nieuwe groep zich "in overwhelming large numbers" aanmeldt en "did not yet participate in the early evaluation studies". Ze beschrijft een groep die "come at an older age, possibly without a childhood history of GI". Met andere woorden: ouder bij aanmelding, geen vroegkinderlijke voorgeschiedenis. Dat is per definitie een ander profiel dan de groep waarvoor het Dutch Protocol oorspronkelijk werd ontworpen. Het hoofd van het Amsterdamse behandelteam zegt in een Amerikaans vakblad dus precies wat Steensma in NRC ontkent.
Steensma's eigen vraag
Steensma zelf formuleert in een ander stuk de cruciale vraag: "Is ons onderzoek van toen nog toe te passen op de groep jongeren die zich nu meldt?" Dat is exact de vraag die Vasterman stelt. Het Dutch Protocol is gebaseerd op uitkomstdata van een geselecteerde groep adolescenten met langdurig persistente dysforie sinds de kindertijd. Als de huidige aanmelders dat profiel niet hebben — geen kindertijd-dysforie, latere onset, vaak in clusters van vriendinnen — dan zijn de uitkomstcijfers van vroeger niet zomaar over te zetten op de behandeling van nu.
Vrouwelijke explosie
De cijfers spreken: "Er is inderdaad sinds 2012 een enorme toename van mensen die het geslacht 'meisje' toegewezen kregen." Vóór 2012 meldden zich meer jongens dan meisjes — een verhouding die past bij de oude theorie dat genderdysforie hoofdzakelijk een aandoening was van jongens met vroege incongruentie. Sinds 2012 is die verhouding gekanteld. Vrouwelijke aanmeldingen drie keer zo hoog als mannelijke. Een geslachtsverhouding die in vijftien jaar tijd zo radicaal verandert is geen kenmerk van een aangeboren conditie. Het is een kenmerk van een sociaal verspreid fenomeen.
Waarschuwing om voorzichtigheid
De Vries waarschuwt in Pediatrics dat juist deze groep voorzichtigheid vereist. Geen kindertijdgeschiedenis betekent dat de natuurlijke verloopcijfers — waarbij bij voorpuberale kinderen het overgrote deel van de dysforie verdwijnt — niet meer als baseline kunnen dienen. De Pediatrics-publicatie is dus geen geruststelling maar een rode vlag, geplaatst door dezelfde kliniek die het protocol uitvoert. Dat de NRC-presentatie diezelfde nuance wegspoelt, is precies het probleem dat Vasterman documenteert.
Waarom dit ertoe doet
De inzet is niet academisch. Het Dutch Protocol leidt tot puberteitsremmers vanaf twaalf, cross-sex hormonen vanaf zestien, chirurgie vanaf achttien. De gevolgen zijn voor een deel irreversibel: blijvende onvruchtbaarheid, botdichtheidverlies, seksuele dysfunctie, mastectomie-littekens. Als deze ingrepen op een ander cohort worden toegepast dan waarvoor ze zijn gevalideerd, is dat experimentele geneeskunde zonder dat daar de bijbehorende waarborgen aan vasthangen. Vasterman dringt niet aan op een specifieke conclusie. Hij dringt aan op het stellen van de vraag — en het laten meewegen van het antwoord in het beleid.
Wat journalistiek hier zou moeten doen
De rol van de journalist is in dit dossier overzichtelijk. Twee uitspraken van dezelfde hoofdonderzoeker, twee maanden uit elkaar, met tegengestelde conclusies. Een internationaal vakblad met een waarschuwing van de mede-hoofdonderzoeker. Een cohort-studie die de meest relevante jaren niet dekt. Dat is geen onontwarbare wirwar — dat is een verhaal dat zichzelf vertelt zodra een journalist de bronnen naast elkaar legt. Vasterman doet dat hier, en de uitkomst is helder genoeg om als basis voor verdere berichtgeving te dienen. Of die berichtgeving er komt, is een tweede vraag.